Onderwerp van de week

Het ik-gevoel en het wij-gevoel

12 oktober 2020

Ze bestaan nog. In de musea zijn ze nog te bekijken, de Romeinse munten zoals ze toen in omloop waren in Palestina. Ze droegen de beeltenis van keizer Tiberius met het randschrift: ‘Keizer Tiberius, zoon van de goddelijke Augustus.’
De joden moeten er danig mee in hun maag hebben gezeten. Een beeld op zak hebben was al verdacht. “Gij zult geen beelden maken” was één van hun voornaamste geboden. Een beeld rook naar afgodendienst. Zeker een beeld van de keizer want dat werd vergoddelijkt. Voeg er dan nog bij dat die vergoddelijkte keizer hun land bezet hield en onbarmhartig hoge belastingen hief.
Met de vraag “laat Mij dat muntstuk eens zien” confronteert Jezus zijn gesprekpartners met hun gedrag. Zij hebben hun eigen voordeel uit de Romeinse bezetting gehaald. Zij gaan in geen geval vrijuit. Als wij nu eens de vraag aan Jezus stellen: “Meester, moeten wij onze belastingaangifte eerlijk invullen?” Dan zou Hij wellicht ons ook vragen: “Laat Mij uw euro eens zien.” Een onschuldige vraag. We zouden Hem trots dat muntstuk tonen.
Maar als Hij dan vraagt: wat betekent die euro voor u? Dan zouden wij moeten bekennen:  een sterke euro betekent voor ons welvaart, vooral in Europa. Een welvaart die toegespitst is op onze eigen persoon. Het ‘ik’ wordt de maatstaf van alle dingen. Jezus zou misschien hetzelfde tegen ons zeggen als toen: “Laat die euro een euro zijn, maar laat die euro uw leven niet dicteren. Geef aan God, wat God toekomt. Dat is ‘alles’.” God is de maatstaf van alle dingen. Hij wil ons ik-gevoel kleiner maken en het wij-gevoel doen groeien, wereldwijd.

Door Paul Verbeek, pastoor