‘Als iemand achter Mij aan wil gaan, moet hij zichzelf verloochenen en zijn kruis opnemen en mij volgen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen; maar wie zijn leven zal verliezen omwille van Mij, zal het vinden.’ (uit Mt. 16, 21-27)

Pastoraal hoekje

We hebben het misschien niet door, maar we hebben allemaal iets van Tomas. Geloven is niet makkelijk. En zeker niet in onze tijd, waarin zo de nadruk wordt gelegd op het tastbare, op het materiële. Als we het niet kunnen waarnemen, bestaat het niet.
Scepsis is van alle eeuwen, niets om je voor te schamen, maar wel iets wat op een gegeven moment overwonnen moet worden. Christenen ontvangen immers de genade om te kunnen geloven in wat niet gezien kan worden, precies zoals Jezus Tomas zelf voorhoudt: zalig die niet zien en toch geloven. God is Schepper van wat zichtbaar en onzichtbaar is, zo bidden we in de geloofsbelijdenis.
Tomas komt door het fysiek aanraken van Jezus’ lichaam tot geloof. Het aanraken van Jezus is een metafoor voor het aanraken van het verrijzenismysterie zelf. Durven en kunnen wijzelf Pasen, en daarmee Jezus’ verrijzenis, omarmen? Als we daar ja op kunnen zeggen, dan mogen we ook nog op een andere manier op Tomas lijken: als leerling van Jezus getuigen van Hem.
Diaken Anton Janssen

‘Als iemand achter Mij aan wil gaan, moet hij zichzelf verloochenen en zijn kruis opnemen en mij volgen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen; maar wie zijn leven zal verliezen omwille van Mij, zal het vinden.’ (uit Mt. 16, 21-27)

In The Lord of the Rings is er een moment waarop Frodo het niet meer ziet zitten. De kleine Hobbit heeft als opdracht de ring te vernietigen op de plek waar die gemaakt is. Alleen dan zal het kwaad verslagen zijn. Maar de opdracht is zwaar.

Een prachtige hymne vol lof en dank, dat is wat Maria in het evangelie (Lc. 1, 39-56) bidt, en wat ze zegt is zo indrukwekkend dat we ons best eens afvragen waar en in wie we onszelf herkennen in haar lofzang.